|
|
Acces
Toegang die door een inundatie voert, in de vorm van
een hoog terreingedeelte, dijk, kade, land-, spoor- of waterweg; wanneer
enkele dicht bijeen gelegen accessen de mogelijkheid bieden tot onderlinge
steunverlening spreekt men wel van een meervoudig acces.
Accespost
Klein verdedigingswerk, aangelegd met het doel het
doordringen van een aanvaller over het acces te beletten.
Affuit
Onderstel van een kanon
Afsnijding
Binnen een vestingwerk gelegen verschansing, wal of
muur, soms met droge gracht, met het doel een binnengedrongen aanvaller
te stoppen; werd soms in geval van nood aangelegd; zie ook retranchement.
Arsenaal
Magazijn voor oorlogsbehoeften, veelal met bijbehorende
werkplaats; ook wel armementarium, bushuis, tuighuis of ('s) lands huis.
Aspergeversperring
Benaming voor een bepaald soort tankversperring. Een
aantal palen of zuiltjes, veelal puntig, wordt schuin naar voren op een
rij in de grond gestoken en verhindert de doorgang van pantser- of andere
voertuigen. Als materiaal worden spoorrails of profielstalen balken genomen
en soms werden deze ook nog in een betonnen sokkel gegoten. De aspergeversperring
kan ook snel als wegversperring worden aangelegd, maar is moeilijk weer
te verwijderen, wanneer de versperring geen dienst meer hoeft te doen.
|
|
|
Bastion
Vijfhoekige aarden of stenen uitbouw van een verdedigingswerk
naar oorspronkelijk Italiaans ontwerp, voornamelijk voor het bestrijken
van de aanliggende courtines.
Bastion-caponnière
Aan de wal van een fort verbonden lage bastionvormige
uitbouw voor grachtsflankering: een der flanken voorzien van een lage
aarden borstwering, aan vijandzijde gedekt door een remise; de andere
flank voorzien van een kazemat, aan vijandzijde gedekt door een aardlichaam
(zie Fort 't Hemeltje bij Houten).
Batterij
1. (organisatorisch), Een aantal stukken geschut van
gelijke type, samengevoegd in één organisatie en onderling
vuurverband; vroeger ook wel genaamd beukerij. 2. (vestingbouwkundig),
Opstellingplaats, eventueel op een bedding, voor een aantal stukken geschut;
soms uitgevoerd als afzonderlijk klein verdedigingswerk; zie ook nevenbatterij
en tussenbatterij.
Bedding
Stabiel opstellingsvlak voor vesting- of belegeringsgeschut,
meestal van hout; o.a. bedoeld om herhaald richten te vergemakkelijken;
ook wel batterijhout.
Bedekte weg
Een door een aarden wal (glacis) of borstwering beschermende
weg langs de buitenste gracht, die de vesting omgeeft.
Beer (holle beer)
1. (beer) Gemetselde dam in een vestinggracht; ter
bemoeilijking van de overgang aan de bovenzijde in de vorm van een ezelsrug
en al dan niet voorzien van een monnik. Functie: Scheiding respectievelijk
regulering van de waterstand in een gracht, eventueel d.m.v. een sluis
(sluisbeer) 2. (holle beer) Gemetselde dam in een vestinggracht voor het
doorlaten van personeel en voorzien van schietgaten, voor grachtsflankement.
Beleg
Het insluiten van een vesting en het treffen van voorbereidingen deze
in bezit te krijgen.
Bolwerk
Nederlandse benaming voor bastion.
Bomvrij
Het door metselwerk, beton of grondlaag bestand zijn
van een verdedigingswerk tegen vernieling door bommen; het begrip is relatief
en afhankelijk van het vermogen van de bewapening in een bepaalde periode.
Borstwering
Dekking van aarde (grond), steen of ander materiaal,
ter bescherming van erachter opgestelde schutters of geschut.
Brisantgranaat
Granaat gevuld met hoogexplosieve springstof.
Bunker
Algemene, aan het Duits ontleende benaming voor gevechtsopstellingen,
onderkomens e.d. doorgaans van gewapend beton; zie ook kazemat (betekenis
2).
Burgwal (Burchtwal)
Wal om versterkte stad of burcht aan de buitenzijde
doorgaans voorzien van een gracht.
|
|
|
Caponnière
1. In het gebastioneerde stelsel: Een in een droge
gracht aangelegde gedekte doorgang naar een voorgelegen werk, veelal tevens
ingericht ter flankering van de gracht; indien overdekt ook wel grachtgalerij
genoemd. 2. In het polygonale stelsel: Een aan de voet van de hoofdwal
gelegen uitbouw ter flankering van de gracht; in het geval van enkelzijdige
flankering wordt deze wel enkele of halve caponnière en bij tweezijdige
grachtflankering wel dubbele caponnière genoemd.
Contrescarp
Tegenover de escarp gelegen en soms bekleed talud;
ook wel buitengrachtsboord; de buitenwaarts ervan gelegen bedekte weg
en het glacis worden soms ook tot de contrescarp gerekend.
Contrescarpgalerij
1. In een contrescarp aangebrachte galerij, voorzien
van schietgaten en/of raamopeningen. 2. Bouw-werk voorzien van een zware
gronddekking, aangebracht rond een deel van een torenfort, met het doel
dit tegen artillerievuur te dekken.
Coupure
Doorsnijding van of doorgang in een wal of muur.
Courtine
Deel van een vestingwal- of muur, gelegen tussen twee
ronddelen of bastions; ook wel gordijn.
|
|
|
Diamantgracht
Plaatselijke uitdieping van een gracht in de vorm van
een diamant, gelegen voor een schietgat of toegang van een verdedigingswerk,
dienende voor het opvangen van neerstortend puin of grond, ter voorkoming
van het blokkeren van het schietgat en/of als hindernis. Bij fort aan
den Hoek van Holland voor opvang van regenwater en water uit waterreservoirs.
Dekpantser
Bovendek van een pantserkoepel, meestal bolvormig.
|
|
|
Eenheidsfort
Fort waarin de functies van artillerie, infanterie
enz. waren samengebracht; in tegenstelling tot van grotere verdedigingswerken
met afzonderlijke functies.
Emplacement
Voorbereide opstellingsplaats voor geschut; ook wel
platform.
Escarp
Talud van een gracht, soms met muurwerk bekleed, gelegen
aan de zijde van het vestingwerk; ook wel binnengrachtsboord.
Ezelsrug
Bovenzijde van een beer, spits toelopend ter bemoeilijking
van de overgang.
|
|
|
Face
Naar buiten gerichte schuine zijde van een bastion,
ravelijn, flèche, redan of lunet.
Flank
(van een bastion) zijde van een bastion die een hoek
maakt met de aangrenzende courtine.
Flankbatterij
Batterij die een deel van een vestingwerk of tussengelegen
terreinstrook flankeert; ook wel batterij geplaatst op de flank van een
vestingwerk.
Flankement
Vuur dat vanuit verdedigingswerken zijdelings kan worden
uitgebracht.
Flankeren
Het van terzijde onder vuur nemen van een deel van
het eigen vestingwerk, van een terreingedeelte of van een vijandelijk
doel.
Flèche
Klein in de keel open verdedigingswerk, soms uitgevoerd
als veldwerk, bestaande uit twee rechte, aaneensluitende en een enigszins
scherpe hoek vormende wallen (facen).
Fort
Zelfstandig, gesloten en naar alle zijden verdedigbaar
werk; heeft als regel geen burgerbevolking. Onderscheiden kunnen worden:
Eenheidsfort, gebastioneerd fort, gedetacheerd fort, kustfort, pantserfort,
polygonaal fort, positiefort, sperfort en torenfort.
Fortificatie
1. Verzamelnaam voor (permanente) verdedigingswerken.
2. Het aanleggen van (permanente) verdedigingswerken. 3. Kennis en kunde
voor de bouw van verdedigingswerken.
|
|
|
Galerij
Overdekte gang in een verdedigingswerk, soms aan één
of twee zijden voorzien van openingen zoals schietgaten; zie ook poterne
Gebastioneerd fort
Fort gebouwd volgens het gebastioneerd stelsel
Gebastioneerd stelsel
Vestingbouwkundig stelsel, gekenmerkt door de toepassing
van bastions.
Gedetacheerd fort
Fort, zodanig ver vooruitgeschoven gelegen ten opzichte
van de vesting, stelling of positie waartoe het behoorde dat deze werd
gevrijwaard tegen vijandelijk artillerievuur.
Gedetacheerd werk
Verdedigingswerk, behorende bij een vesting, aangelegd
op een vooruitgelegen dominerend punt. De afstand tot het vestingwerk
is veelal groter dan bij een voorwerk, een wat ouder begrip.
Geschut
Verzamelnaam voor vuurmonden, samengesteld uit schietbuis,
onderstel en richtmiddelen.
Gesloten werk
Geheel omwald en rondom verdedigingbaar vestingwerk.
Getrokken geschut
Geschut met een loop, waarvan de profilering spiraalvormig
is.
Glacis
Flauw aflopend talud, gelegen buiten de contrescarp
van een vestingwerk, dat vanaf de wal of de gedekte weg met vuur kan worden
bestreken.
Gracht
Gegraven doorlopende hindernis rond een vestingwerk;
in laag terrein doorgaans breed, ondiep en met water gevuld; in hoog terrein
als regel vrij smal, diep en droog.
Granaat
Langwerpig en spits, vroeger ook wel bolvormig geschutprojectiel
van ijzer of staal, gevuld met springstof of andere strijdmiddelen en
ontstoken door middel van een buis.
|
|
|
Halfbastion
Vierhoekige uitbouw van de wal van een verdedigingswerk,
in de vorm van een linker of rechter helft van een heel bastion.
Hefkoepel
Pantserkoepel die snel geheven en weer ingetrokken
kan worden en in normale verzonken toestand onzichtbaar en moeilijk trefbaar
is.
Hoofdgracht
Gracht rondom de hoofdwal; ook wel kapitale gracht.
Hoofdwal
Doorlopende wal rond een vesting, zonder de voor- of
buitenwerken; ook wel stadswal of kapitale wal.
|
|
|
Inundatie
Doorgaans defensieve onderwaterzetting van een terreingedeelte
voor militaire doeleinden; is zo mogelijk zowel onbegaanbaar als onbevaarbaar;
wordt ook wel offensief gebruikt om een vijand te verdrijven.
Inundatiekom
Afzonderlijk deel van een inundatie, ingericht ten
behoeve van het overbruggen van hoogteverschillen en omsloten door waterkeringen
in de vorm van hoger terrein en dijken of (steun)kaden, met daarin sluizen,
duikers e.d. voor het in- en uitlaten van water; zie ook komkering.
Inundatiesluis
Sluiswerk dat speciaal is aangelegd voor het stellen
en onderhouden van inundaties.
|
|
|
|
|
|
Kaliber
Inwendige diameter van de schietbuis (loop) van een
vuurwapen.
Kanon
Vuurmond (stuk geschut) met een lange loop van ongeveer
15 of meer maal het kaliber en een hoge aanvangssnelheid, voor het verschieten
van projectielen met nagenoeg gestrekte baan over relatief grote afstand.
Kazemat
1. (in een vestingwerk), tegen vijandelijk vuur gedekte
en van een schietgat voorziene ruimte voor de opstelling van een vuurwapen;
aanvankelijk deel uitmakend van een vestingwerk, later vrijstaand; soms
een gedekte ruimte voor legering of materieelopslag; ook wel geschutkelder,
kanonkelder of gekazemateerde batterij. 2. (vrijstaand), een meestal betonnen
en tot een verdedigingslinie behorende opstellingsplaats voor geschut
of mitrailleurs; veelal bunker genoemd.
Keel (zijde)
Van een vijand afgekeerde zijde van een verdedigingswerk.
Koffer
Soort kazemat doorgaans aangebracht in de contrescarp,
voor het flankeren van een droge gracht.
Kringenwet (verboden kring)
Wet uit 1853. De wet had tot doel het vrijhouden van
het schootsveld rond de vestingwerken van de Nieuwe Hollandse Waterlinie.
Het slopen, bouwen, rooien en beplanten binnen de 'Verboden Kringen' was
in deze wet geregeld. Afhankelijk van het strategisch belang waren alle
Nederlandse vestingwerken onder deze wet verdeeld in drie klassen. De
klasse van het vestingwerk bepaalde binnen de kringen de beperkingen voor
het bouwen en het planten van houtgewassen.
Op grond van de Kringenwet waren om elk vestingwerk drie verboden kringen
getrokken. Op een afstand van 300 m, de kleine kring, op een afstand van
600 m, de middelbare kring en op een afstand van 1000 m, de grote kring.
Kustfort
Fort dat speciaal is ingericht voor, en deel uitmaakt
van de kustverdediging.
|
|
|
Linie
Ongeveer lineair stelsel van doorgaande, aaneengeschakelde
of anderszins samenhangende verdedigingswerken, veelal voorzien van hindernissen
zoals inundaties, grachten, prikkeldraadversperringen, mijnenvelden en
tankhindernissen; zie ook stelling.
Loopgraaf
Diepe, uitgegraven greppel met opgeworpen borstwering,
dienende om zich te dekken tegen vijandelijk vuur, danwel om de vijand
veilig te naderen of onder vuur te nemen.
Lunet
Klein verdedigingswerk met twee facen en veelal korte
flanken; doorgaans in de keel open; soms ravelijn of halve maan genoemd;
ook wel brilschans (Zuid-Nederland).
|
|
|
Mijn
1. Explosieve lading, ondergronds aangebracht om daarmee
bovengrondse of ondergrondse vijandelijke werken te vernielen 2. Korte
benaming voor landmijn.
Monnik
Opstaande hindernis van metselwerk of natuursteen,
aangebracht op een beer.
Mortier
Type geschut waarmee men projectielen onder een steile
baan kan verschieten.
|
|
|
Nationaal reduit
Kringstelling, bedoeld als laatste wijkplaats voor
landsregering en krijgsmacht, van zodanige grootte dat dezen zich er langdurig
zouden kunnen handhaven.
Nevenbatterij
Batterij gelegen in de onmiddellijke omgeving van een
verdedigingswerk en organisatorisch daartoe behorend; zie ook tussenbatterij.
|
|
|
Open vestingwerk
Vestingwerk dat in de keel niet is voorzien van een
wal of muur
|
|
|
Pantserfort
Fort waarvan de bewapening is opgesteld in een pantserkazemat
of -galerij, of in een beweegbare pantserkoepel.
Pantserkoepel
Draaibare gepantserde geschutsopstelling, ook wel draaikoepel
of pantsertoren genoemd; zie ook hefkoepel.
Plofsluis
Populaire benaming voor een keersluis, die voor inundatiedoeleinden
op snelle wijze kan worden gesloten door het, met behulp van explosieven,
doen neerstorten van ballast uit een grote, boven de vaargeul aangebrachte
bak.
Polygonaal fort
Fort dat is aangelegd volgens het polygonale stelsel.
Polygonale stelsel
Vestingbouwkundig stelsel waarvan het tracé
wordt gekenmerkt door het betrekkelijk eenvoudige veelhoeksvorm met rechte
zijden, die worden geflankeerd vanuit caponnières en/of contrescarpkoffres;
ontwikkeld in de 18e eeuw naar opvattingen van de franse vestingbouwkundige
Montalembert als vervanging van het gebastioneerde stelsel.
Poort
Meestal afsluitbare doorgang door een muur of wal van
een vestingwerk.
Positiefort
Gedetacheerd fort, gekenmerkt door sterke bewapening
en een grote mate van stormvrijheid; hier te lande doorgaans gelegen in
niet-inundeerbaar terrein.
Poterne
Ondergrondse bomvrije gang door een fort of vesting,
dienende als verbinding met een (geheime) toegangs- of uitvalspoort; meer
in het algemeen als interne verbinding met andere delen van het werk.
|
|
|
Ravelijn
Midden voor een vestingfront gelegen, ongeveer driehoekig
of redanvormig buitenwerk, ter dekking van courtine en toegangspoort,
alsmede de schouderhoeken der naastliggende bastions tegen vijandelijk
vuur.
Redan
In de keel open verdedigingswerk, soms uitgevoerd als
veldwerk, bestaande uit twee aaneensluitende rechte wallen (facen); een
aantal werd veelal door middel van courtines tot een linie aaneengeschakled;
zie ook flèche.
Redoute
Algemene benaming voor een eenvoudig doorgaans gesloten
verdedigingswerk (soms veldwerk) zonder bepaalde vorm; soms verbasterd
tot, of ten onrechte vertaald als ronduit.
Reduit
Zelfstandig verdedigbaar werk binnen een fort, dienende
om de verdediging na de val van de hoofdwal te kunnen voortzetten; soms
verbasterd tot ronduit; zie ook nationaal reduit.
Remise
Bomvrije bergplaats voor geschut of ander materieel
Remisekazemat
Remise voorzien van een schietgat.
Remisegeschut
Geschut dat tijdens een beschieting gedekt bleef in
een remise en eerst in stelling werd gebracht wanneer een vijand tot op
korte afstand was genaderd.
Retranchement
Zie afsnijding; ook wel een zelfstandig, veelal aarden
verdedigingswerk zonder vaste vorm.
Rivierkazemat
Zware betonnen kazemat, in de jaren voor de Tweede
Wereldoorlog speciaal aangelegd ten behoeve van het met vuur bestrijken
van een brug over een rivier of kanaal; ook wel brugkazemat.
Rondeel
Halfronde, gemetselde uitbouw aan een verdedigingsmuur,
voorloper van het bastion.
|
|
|
Schans
Algemene benaming voor een eenvoudig, als regel aarden
verdedigingswerk.
Schietgat
Schietopening in een wal of muur.
Schootsveld
Gedeelte van het terrein dat door een wapen onder vuur
kan worden genomen.
Sperfort
Zelfstandig fort voor de beheersing van een belangrijke
doorgang naar of toegang tot een gebied.
Spietoren
Kleine uitkijk- of wachttoren, uitgekraagd op de hoek
van een walmuur, de saillant van een bastion of versterkt huis; later
ook uitsluitend als versiering toegepast; ook wel genaamd arkel. peperbus
of sentinel (Op de wal van slot Loevestein is een Spietoren te vinden).
Stelling
Min of meer zelfstandig stelsel van verdedigende opstellingen,
al dan niet gebaseerd op permanente verdedigingswerken; ook wel positie;
zie ook linie.
|
|
|
Talud
Hellend vlak of glooiing van een aarden wal of glacis;
te onderscheiden in binnen- en buitentalud; ook wel dossering of docering.
Terreplein
Open binnenruimte van een vestingwerk; ook wel een
brede walgang.
Torenfort
Fort met een bomvrije toren als voornaamste opstelplaats
van geschut; de toren had tevens de functie van reduit, legeringruimte
en magazijn.
Torpedo
Vroegere benaming voor een verankerde drijvende mijn,
zoals gebruikt voor versperring van zeearmen en riviermondingen; niet
te verwarren met het latere, van een aandrijving voorziene maritieme wapen.
Tracé
Grondplan of plattegrond van een verdedigingswerk
of -stelsel.
Traverse
Loodrecht op de hoofdwal staande aarden wal tot dekking
tegen mogelijk zijwaarts invallende schoten of scherfwerking.
Tussenbatterij
Batterij (betekenis 2) gelegen in een interval tussen
forten en organisatorisch onder bevel staand van een naasthogere commandant;
zie ook nevenbatterij.
|
|
|
Uitlegger
Met geschut bewapend platboomd vaartuig, bestemd voor
de beweeglijke aanvulling van de verdediging van een linie of stelling. |
|
|
Veldwerk
Algemene benaming voor een niet-duurzaam verdedigingswerk,
aangelegd in het terrein; vanaf begin Eerste Wereldoorlog veelal met gebruikmaking
van voorbereide onderdelen van hout, beton e.d.
Vesting
Versterkte stad; soms ook een groter verdedigingsgebied;
zie Vestig Holland
Vestingbouwkundig stelsel
In bepaalde periodes toegepast en/of aan ontwerpers
ervan toegeschreven vaste principes en regels voor de inrichting van vestingen,
met het doel zo goed mogelijk bescherming te bieden tegen het vuur van
een vijand en de gunstigst mogelijke beschermende opstelling te bieden
voor de eigen wapens en personeel.
Vestinggeschut
Geschut in gebruik bij de vestingartillerie en doorgaans
gekenmerkt door geringe mobiliteit.
Vesting Holland
1. Strategisch gebied, omsloten door de Zuiderzee (IJsselmeer),
de Nieuwe Hollandse Waterlinie, de mondingen der grote rivieren en de
Noordzeekust; daarbij niet inbegrepen de Stelling van Den Helder. 2. Militaire
organisatie, in 1922 ingesteld voor de bevelvoering over linies, stellingen
en troepen in het onder 1 genoemde gebied.
Vestingwerk
Permanente verdedigingswerk
Vestingwet
Wet van 18 april 1874, waarin werd vastgesteld welke
verdedigingslinies, respectievelijk -werken zouden deel uitmaken van de
landsverdediging of zouden worden opgeheven.
Voorwerk
Verdedigingswerk, gelegen voor het glacis van een vesting,
maar binnen het bereik van het ondersteunende vuur daarvan.
|
|
|
Wal
Dijkvormige aarden ophoging rond een verdedigingswerk,
voorzien van een borstwering.
Waterlinie
Aaneengesloten linie of stelling, bestaande uit door
inundatiën gedekte verdedigingswerken en troepenopstellingen.
Waterpoort
Tot een omwalling behorende poort over een rivier,
kanaal of haven, voorzien van een valhek of andere versperringsmiddelen
om de doorvaart te verhinderen.
Weergang
Door een borstwering beveiligde loopgang op een vestingmuur
of aan de binnenzijde daarvan (Pampus).
Werk
Verdedigingswerk van niet nader omschreven type.
|
|
|
|
|
|
|
| |
|
| |
|